Nieuws

NOW-2 kan worden aangevraagd

Het kabinet heeft de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW) met vier maanden verlengd. Deze tweede tranche, de NOW-2, wijkt op een aantal punten af van de eerste tranche. De NOW is een loonkostensubsidie voor werkgevers die geconfronteerd worden met een omzetdaling van ten minste 20% als gevolg van de coronacrisis. De omzetdaling moet zich voordoen in een aaneengesloten periode van vier kalendermaanden tussen 1 juni en 30 november 2020. De NOW geldt voor werknemers, die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De regeling geldt dus niet voor de dga.

Hoogte subsidie gerelateerd aan omzetdaling

De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de maanden juni tot en met september. Voor de loonsom is het socialeverzekeringsloon uit tegenwoordige dienstbetrekkingen uitgangspunt. Werkgeverspremies, werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden ook gecompenseerd. De opslag voor werkgeverslasten is voor de NOW-2 verhoogd van 30 naar 40%. Het loon per werknemer is maximaal twee keer het maximumdagloon per maand. Dat betekent dat loon boven € 9.538 per maand niet voor subsidie in aanmerking komt. De maximale subsidie wordt uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan wordt de subsidie evenredig lager vastgesteld. De omzetdaling wordt bepaald aan de hand van de jaaromzet 2019 gedeeld door drie. Voor een werkgever, die op 1 januari 2019 nog niet bestond, geldt een afwijkende omzetbepaling.

Formule hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: A*B*4*1,4*0,9. In deze formule staat A voor het percentage omzetdaling en B voor de loonsom over maart. De vermenigvuldigingsfactor 4 hangt samen met het aantal maanden waarvoor subsidie wordt verleend. De factor 1,4 betreft de opslag voor werkgeverspremies en de factor 0,9 de maximale bijdrage van 90%. De in de NOW-1 geldende boete op ontslag om bedrijfseconomische redenen is vervallen, behoudens bij ontslag van 20 of meer werknemers. De boete bedraagt 5% van de ontvangen subsidie. De boete vervalt als er een akkoord over de ontslagaanvraag is tussen werkgever en vakbonden of een vertegenwoordiging van werknemers.

Toepassing van de NOW bij concerns
Voor concerns bestaande uit meerdere vennootschappen geldt de eis van het omzetverlies voor het gehele concern. Bij concerns met minder dan 20% omzetverlies kunnen individuele werkmaatschappijen subsidie voor hun loonkosten aanvragen op basis van de eigen omzetdaling. Om misbruik van de regeling te voorkomen, worden aan deze verruiming extra voorwaarden verbonden. Deze zijn achtereenvolgens:

  • De werkmaatschappij moet een rechtspersoon zijn.
  • Het concern mag over het jaar 2020 geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Dat geldt tot met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld.
  • De werkmaatschappij moet een overeenkomst hebben met de vakbonden of de werknemersvertegenwoordiging over werkbehoud.
  • De werkmaatschappij mag geen personeels-bv zijn.

Voorschot

Het UWV betaalt in drie termijnen een voorschot uit van 80% van de berekende subsidie. Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de polisadministratie over de maand maart 2020.

Definitieve vaststelling achteraf

Binnen 24 weken na afloop van de periode waarover de NOW is toegekend dient de werkgever vaststelling van de subsidie aan te vragen. Bij de aanvraag is een accountantsverklaring nodig als de subsidie hoger is dan € 125.000 of als het voorschot hoger is dan € 100.000. Als een accountantsverklaring nodig is geldt een termijn van 38 weken om de vaststelling aan te vragen. Binnen 52 weken na ontvangst van deze aanvraag stelt het UWV de definitieve subsidie vast. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie wordt rekening gehouden met een eventueel opgetreden daling van de loonsom over de maanden maart tot en met mei ten opzichte van de loonsom over de refertemaand.

Aanvraagperiode

Een aanvraag voor de NOW-2 kan worden gedaan van 6 juli tot en met 31 augustus.

Voorwaarden

De NOW-2 kent nieuwe voorwaarden. Een bedrijf dat een subsidie van € 125.000 of meer ontvangt of een voorschot van € 100.000 of meer mag over dit jaar geen winstuitkering aan aandeelhouders doen, geen bonussen aan het bestuur en de directie uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Voor concerns die hun omzetdaling op werkmaatschappijniveau willen berekenen gold deze voorwaarde al voor de NOW-1, ongeacht de hoogte van het voorschot of de subsidie.

De werkgever verplicht zich onder meer om:

  • de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;
  • de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van loonkosten;
  • de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de werknemers te informeren over de subsidieverlening;
  • werknemers te stimuleren om deel te nemen aan een ontwikkeladvies of aan scholing;
  • alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens op controleerbare wijze in de administratie vast te leggen;
  • loonaangifte te doen op de voorgeschreven momenten;
  • na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve opgave van de omzetdaling te verstrekken.

Recht op aftrek voorbelasting tijdens leegstand pand

Een ondernemer heeft recht op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting, voor zover deze betrekking heeft op goederen en diensten die de ondernemer gebruikt voor belaste handelingen. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2009 geoordeeld dat de ondernemer de goederen of diensten die hij afneemt om een bedrijfsmiddel in goede staat te houden, onmiddellijk gebruikt in het kader van zijn onderneming. Dat geldt ook in een periode waarin het bedrijfsmiddel tijdelijk geen opbrengsten levert. In dat geval mag er niet zonder meer worden uitgegaan van de veronderstelling dat de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen. De ondernemer heeft recht op aftrek van de op de afgenomen goederen drukkende omzetbelasting indien en voor zover hij het voornemen heeft het bedrijfsmiddel te gebruiken voor belaste handelingen.

Bij de verhuur van andere onroerende zaken dan woningen bestaat de keuze om deze zaken belast of vrijgesteld te verhuren. De mogelijkheid van belaste verhuur is beperkt tot huurders die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor zij een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek hebben. Aan de uitoefening van het keuzerecht heeft de wetgever geen andere voorwaarden verbonden dan dat de verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke verhuurovereenkomst hebben gekozen voor belaste verhuur of, in andere gevallen, gezamenlijk een verzoek voor belaste verhuur hebben gedaan aan de inspecteur. Van onroerende zaken, die zowel geschikt zijn voor belaste als vrijgestelde verhuur, wordt pas op het moment dat een huurder is gevonden duidelijk of wordt gekozen voor belaste verhuur. De uitoefening van het keuzerecht hangt mede af van omstandigheden buiten de wil van de verhuurder.

De regeling van aftrek van voorbelasting heeft tot doel de ondernemer volledig te ontlasten van de in het kader van zijn economische activiteiten verschuldigde of voldane omzetbelasting. Aan het effectueren van deze doelstelling zou afbreuk kunnen worden gedaan indien geen recht bestaat op aftrek van de omzetbelasting ter zake van instandhoudingskosten van een leegstaand en voor verhuur bestemd onroerend bedrijfsmiddel wanneer niet op voorhand kan worden uitgesloten dat gekozen zal worden voor belaste verhuur. Volgens de Hoge Raad moet in die gevallen worden aangenomen dat in het voornemen van de ondernemer een onroerende zaak te gaan verhuren het voornemen ligt besloten gebruik te maken van de mogelijkheid van belaste verhuur. Dit betekent dat de omzetbelasting op goederen en diensten die worden afgenomen om de onroerende zaak in goede staat te houden als toerekenbaar aan voorgenomen belaste handelingen voor aftrek in aanmerking komt.

Voorstel aanpassing belastingheffing in box 3 van tafel

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat het door zijn voorganger gepresenteerde voorstel voor aanpassing van de belastingheffing in box 3 van tafel is. Dat voorstel hield in dat werd uitgegaan van de werkelijke verhouding van spaargeld, beleggingen en schulden van een belastingplichtige in plaats van uit te gaan van een doorsnee vermogensmix. Ieder van deze drie categorieën van vermogensbestanddelen heeft in dit voorstel een eigen forfaitair rendement. Voor spaargeld zou een ruime vrijstelling komen die nu alleen wordt gedifferentieerd naar omvang van het vermogen. Dit voorstel heeft geleid tot kritiek vanwege de ongelijke behandeling van spaarders ten opzichte van mensen met een gelijk vermogen maar een andere vermogensverdeling.

De staatssecretaris geeft aan dat nog altijd wordt gestreefd naar het belasten van het werkelijke rendement. Op korte termijn is dat niet haalbaar. Om een groot deel van de spaarders en kleine beleggers op korte termijn tegemoet te komen, zal het huidige stelsel worden aangepast. Op Prinsjesdag zal een voorstel daartoe aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

De Hoge Raad heeft in 2019 een aantal arresten gewezen over de belastingheffing in box 3. De vraag of de vermogensrendementsheffing in de jaren 2013-2016 een schending inhield van het recht op het ongestoorde genot van eigendom, zoals vastgelegd in het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden, is moeilijk te beantwoorden. De staatssecretaris verwacht de kabinetsreactie hierover met Prinsjesdag naar de Tweede Kamer te kunnen sturen.

Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) kan worden aangevraagd

Onderdeel van het zogenaamde Noodpakket 2.0 is de subsidieregeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Deze regeling is de opvolger van de in het eerste noodpakket opgenomen TOGS, de tegemoetkoming voor ondernemers in getroffen sectoren. De TVL geldt voor een specifieke groep mkb-bedrijven. Deze groep omvat de zwaarst getroffen sectoren, waaronder horeca, recreatie, sportscholen en dergelijke. Doel van de regeling is ervoor te zorgen dat bedrijven over voldoende liquide middelen beschikken om in de komende maanden de vaste lasten te kunnen betalen en hun onderneming draaiende te houden. Evenals de TOGS is de TVL vrijgesteld van belastingheffing. De doelgroep van de TVL is dezelfde als de doelgroep van de TOGS. Anders dan in de TOGS wordt in de TVL rekening gehouden met de omvang van het omzetverlies en de omvang van de vaste lasten in een sector. Het geraamde budget voor de regeling is € 1,4 miljard.

Voorwaarden

Als voorwaarde voor de TVL geldt de combinatie van een omzetverlies van 30% of meer en een bedrag aan vaste lasten van ten minste € 4.000. Het omzetverlies wordt bepaald door de omzet in de subsidieperiode te vergelijken met dezelfde periode in 2019. Omdat de omzet nog niet bekend is wordt bij de aanvraag uitgegaan van de verwachte omzetdaling. Aan de hand van de verwachte omzetdaling wordt een voorschot op de subsidie uitgekeerd. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van de omzetgegevens in de btw-aangiften van het tweede en het derde kalenderkwartaal van 2019 en 2020. Dat geldt voor ondernemingen die per maand of per kwartaal aangifte doen. De omzet van het tweede kalenderkwartaal telt voor 1/3e mee en de omzet van het derde kalenderkwartaal volledig. Voor ondernemingen die op grond van hun nevenactiviteit in aanmerking komen voor subsidie werkt deze methode niet. Zij zullen hun omzet(verlies) op andere wijze aannemelijk moeten maken.

Voor ondernemingen die tussen 1 en 15 maart (voor het eerst) zijn ingeschreven in het handelsregister geldt de drempel van 30% omzetverlies niet.

De vaste lasten worden voor toepassing van de TVL bij benadering bepaald. Dat gebeurt door de omzet in de referentieperiode te vermenigvuldigen met de gemiddelde sectorafhankelijke verhouding tussen vaste lasten en omzet. Deze verhouding is te vinden in de tabel op de website van RVO.nl.

Subsidiebedrag

De hoogte van de subsidie is gebaseerd op het omzetverlies. Maximaal bedraagt de subsidie 50% van de vaste lasten bij 100% omzetverlies. Bij het behalen van de drempel van het omzetverlies van 30% bedraagt de TVL 15% van de vaste lasten. Ondernemingen, die tussen 1 en 15 maart 2020 zijn ingeschreven in het handelsregister en in de subsidieperiode ten minste € 4.000 vaste lasten verwachten te hebben, krijgen een vast subsidiebedrag van € 1.000.

Aanvraag

Aanvragen voor de TVL kunnen in de periode van 30 juni tot en met 30 oktober 2020 worden ingediend op www.rvo.nl/tvl. De aanvraag dient de volgende gegevens te bevatten: naam, adres, KvK-nummer en gegevens van de contactpersoon. Daarnaast moeten kopieën van de aangiften omzetbelasting of van andere bewijsstukken uit de boekhouding met de omzetgegevens over 2019 worden aangeleverd. Na verlening van de subsidie wordt een voorschot verstrekt van 80% van het subsidiebedrag. De ondernemer moet de aanvraag zelf indienen, aangezien hiertoe ingelogd moet worden met eHerkenning of Digid. Uiteraard kunnen we u behulpzaam zijn bij het aanleveren van de benodigde informatie.

Definitieve vaststelling

De ondernemer moet voor 1 april 2021 verzoeken om vaststelling van de subsidie via het daarvoor bestemde formulier op www.rvo.nl/tvl.

Administratie

De ondernemer die subsidie ontvangt uit de TVL is verplicht zijn administratie zodanig te voeren en te bewaren dat tot tien jaar na de subsidieverlening op duidelijke en eenvoudige wijze blijkt dat hij aan de eisen heeft voldaan.

Wetsvoorstel excessief lenen naar Tweede Kamer

Bij de presentatie van het Belastingplan 2019 in september 2018 heeft het kabinet aangekondigd met een wetsvoorstel te komen dat excessief lenen door houders van een aanmerkelijk belang bij de eigen vennootschap moet tegengaan. Dat wetsvoorstel is nu ingediend bij de Tweede Kamer. Door geld te lenen van de eigen vennootschap kan de aanmerkelijkbelanghouder de belastingheffing over dit bedrag langdurig uitstellen of zelfs afstellen.

Inhoud wetsvoorstel

Als het totaal van de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan de vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, dan wordt het meerdere als inkomen uit aanmerkelijk belang belast. Dat gebeurt door dit meerdere aan te merken als een fictief regulier voordeel. De bepaling van de hoogte van de schuld vindt ieder kalenderjaar plaats op de laatste dag van het jaar op basis van de nominale waarde. Deze maatregel heeft alleen gevolgen voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang. Dit betekent dat de maatregel geen andere fiscale gevolgen heeft en dus niet van belang is voor de belastingheffing in box 1 en box 3 van de inkomstenbelasting, voor de dividendbelasting of de vennootschapsbelasting. Ook civielrechtelijk heeft deze maatregel geen betekenis. De schuld aan de vennootschap blijft bestaan, inclusief de rente- en aflossingsverplichtingen.

Het fictieve reguliere voordeel kan positief of negatief zijn. Het negatieve fictieve reguliere voordeel heeft als doel om economische dubbele heffing te voorkomen.

Kring van betrokkenen

De aanmerkelijkbelanghouder wordt samen met zijn partner in de heffing betrokken voor hun schulden boven de € 500.000 aan de vennootschap. Naast de aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner geldt de maatregel ook voor met de aanmerkelijkbelanghouder verbonden personen die schulden hebben aan de vennootschap van de aanmerkelijkbelanghouder. Verbonden personen zijn de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de aanmerkelijkbelanghouder en van zijn partner. De schulden van een verbonden persoon worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder indien deze meer bedragen dan € 500.000 en de verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in de vennootschap heeft.

Uitzondering voor eigenwoningschuld

Een schuld die kwalificeert als eigenwoningschuld voor de eigenwoningregeling van box 1 telt niet mee voor de bepaling of het totaal aan schulden hoger is dan € 500.000. Voorwaarde is dat aan de vennootschap een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt. Deze voorwaarde wordt niet gesteld aan op 31 december 2021 bestaande eigenwoningschulden.

Maximumbedrag

Het maximumbedrag aan schulden bedraagt in beginsel € 500.000. Het maximumbedrag wordt verhoogd met het bedrag dat als fictief regulier voordeel op grond van deze regeling is belast. Op deze manier wordt voorkomen dat over hetzelfde bovenmatige gedeelte van de schulden ieder jaar een fictief regulier voordeel in aanmerking wordt genomen.

Voorkomen dubbele heffing

Zonder verdere maatregelen kan zich dubbele belastingheffing voordoen wanneer een aanmerkelijkbelanghouder meer dan € 500.000 heeft geleend bij zijn eigen vennootschap. Nadat een fictief regulier voordeel in aanmerking is genomen wordt een latere dividenduitkering, die wordt gebruikt om de schuld af te lossen, als regulier voordeel in de belastingheffing betrokken. Economisch gezien is daardoor sprake van dubbele heffing. Datzelfde doet zich voor bij vervreemding van de aandelen, waarbij over de meerwaarde van de aandelen belasting in box 2 moet worden betaald. Economische dubbele heffing moet worden voorkomen doordat het fictieve reguliere voordeel ook negatief kan zijn. Een negatief fictief regulier voordeel doet zich voor bij aflossing van de schuld nadat het maximumbedrag van € 500.000 eerder is verhoogd met het bedrag van een positief fictief regulier voordeel. Na aflossing zal de totale schuld aan het einde van het jaar lager zijn dan het verhoogde maximumbedrag. Het verschil wordt als een negatief fictief regulier voordeel bij de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in het jaar van aflossing in aanmerking genomen. Het maximumbedrag wordt vervolgens met hetzelfde bedrag verlaagd.

Inwerkingtreding

De wet moet op 1 januari 2023 in werking treden. Deze datum van inwerkingtreding biedt aanmerkelijkbelanghouders de mogelijkheid om hun schuldpositie terug te brengen tot maximaal € 500.000.